Posts

Posts uit december, 2018 weergeven
11. In en uit het diepe donker (Eerst in het Engels geplaatst, in augustus 2018)

De maan strijkt zalf op de degradatie van het donker,
dat herinnering toedekt, die in de diepte zinkt,
en rust daar vindt, of in geluk verdrinkt.

Het verleden vervalt in verlies van tijd, gebeurtenissen op een rij teniet gedaan,
vallen uiteen, stappen uit het gelid,
om samen te gaan, in een geheel gevat.

Identiteiten vervagen, verdwijnen, of gaan in gemeenschap, komen wild klaar
in fusie, maken logica onklaar.

Totdat daglicht de orde van de mars herstart, het zelf weer opgedregd, identiteit hersteld,
terug in de lijn van de tijd gedrukt.
10. Labrador
Lijdzame labrador Greta Garbo onder de honden
zit scheef op haar bil,
oren geplet.

Zwemmende ogen, zo bloot onder dansende wenkbrauwen
gaan ping pong van jou
naar het brok kaas dat daar ligt.

Haar compacte lijf. De balg van haar borstkas blaast
een fluit van emotie,
na een denderende ren.

Door dik en dun zou ze gaan voor haar baas, als ze het lef had.
Zacht eitje, tot in de dood toe bedeesd,
schuldig bewust dat ze ziek was, verteerd.

Samen aan de bosrand, een droge sloot, turend over het Drentse veld, vol
overgave, wit van vertrouwen. Totdat, later,
het spuitje en haar leven zijn uitgewerkt.

Haar kop tussen poten gerust, Met een zucht onder mijn handen vertrekt


9. Woorden op de vlucht
Hij jaagt op het woord waarvan hij geen letter greep
en de toon zijn zetting ontzweeft.

Later, als een passant, waar hij ze uitgestorven dacht,
daar stonden ze, een strofe vol,
met trillende neus in reuk van het vers
en klank in hun flanken.

Geen dressuur nu, laat ze stil. Sluip, sluip, maar niet te dicht.
Een stap te ver ontketent hun vlucht,
die daar gaat, roffelt en slaat,
en ranselt de lucht met haar maat.


8. Rebellerende letteren
Het is beangstigend soms, en soms lach je je krom,
hoe woorden zomaar gaan staan,
in drommen er vandoor kunnen gaan,
rebelleren, de regels verlaten,
in strofen aan het struinen slaan.  

Beukende medeklinkers breken klinkers los uit geplaveide verhalen,
rukken grimmig op, om zich te wreken,
op hechtenis en verbale processen,
en kraken buiten zinnen en de rede
de verlaten huizen van de taal.

De orde stelt zich in slagorde op, achter dranghekken van grammatica,
syntactisch in rijen gezet. Slaat
er met heftige semantiek op in,
drijft het gebroken gebroed 
de doodlopende stegen weer in.


7. Herfst
Buiten vegen de bomen het bollende grijs, gescheurd, in rafels tegengelicht, langs
het land dat bezopen in de regen ligt.

Binnen, voorbij een bevend gordijn, tast het licht in wankele schijn.
Ritst een vlieg de ruimte open en dicht.

Binnenstebuiten lig ik daar, slordig uitgetrokken, leeg en nauwelijks belicht
in plooien, met niemand erin.
6. Winter
Ter verzachting van de korst ligt een dons van sneeuw er op.
Stap er op, en knap en kraak.
Sloten snijden door het breekbare land.

Een zorgvuldig gekromde zwaan balanceert op haar wit.

In de verte knarsen voeten, hoge stemmen slepen een slee,
gemoffeld en in duffels,
en voeren in triomf
de blijdschap mee.

Een sluier van dooi op het bleke gelaat
van mist en miezer.
Sneeuw sijpelt in het ijs
En andersom,
biggelen pegels.

Gedruip van druppels in het park, hurkende
eenden kluiten in het riet.
Nauwelijks een poot
om op te staan.

Koppen in hun binnenzak: luisteren naar hun hart.
5. Winterreise in Thüringen
In zijn ondergang rolt de zon
langs de heuvelrand.
Strijkt over schouder en rug
tot in de dijen
van het dal, waar
in de ronding
van de rivier zij
haar glinstering trekt

Schamele, hondse fabrieken kruipen
geslagen langs het spoor.
Kadavers, door graffiti
overmand. Hier en daar
tussen hun ribben
de vakken gevuld

Licht stottert door staketsel van bos. Vertikaal een rode muur,
een witte berk.
Horizontaal de donkere aarde
onder het wit gespreid
dat niet meer smelt.
Het licht oranje gerijpt,
in purper gebrand.

De zon flikkert over de rand.

Het enige licht ligt nog hoog
in de lucht, scherp
in strepen gebiesd,
door de hemel gestraald.

Wijzen strak in de richting van de ondergang.


4. Omhoog gevallen
Een heldere lucht in de nacht. Over de heuvel een hond die blaft.

Een kilte valt neer van de maan.
aar donkere vormen staan:

een boom, en paarden die gras staan te mompelen.

Kijk omhoog en, o schrik,
val omhoog. Eindeloos,

tussen de sterren door de aarde valt weg.

Ze hebben de zwaartekracht uitgedraaid, om je los te gooien.

Je smeekte te stijgen volle vrijheid te krijgen.

En daar ga je dan, de ketenen los.

Alleen nog de sikkel van de maan voor houvast.

Vasthouden tot de dag aanbreekt, gezegende advent

van het eindige, en de lichtende lucht. Dank voor

de vogels die rommelig de ruimte verfladderen.

De deken van wolken die dekt, langs de horizon helemaal ingestopt.


3. Dicht
Van voren was hij een dichte doos geen toegang, en uitzichtloos.
De zon strijkt scheef zijn gevel langs,
krijgt op binnenkomst geen kans.

Maar daarachter viel heel goed te wonen, met zicht op een rij van bomen,
op het verdwijnpunt toegesneden,
kruispunt van een lang verleden.

De zon door ramen ingelicht, werpt een parallellogram
op wat daarbinnen ligt.

Een uitgelezen boek van leed, rafels van wat hij niet meer weet.
De opening verdicht in een streep.